elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fik

Fik , Fik , (mannelijk) , hondennaam, meest roepnaam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fik , fik , fuk , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast fuk. Meestal in verkl. fikkie, fukkie. Een in brand gestoken hoop van hout, stro en andere brandbare stoffen. || Jongens, we zellen ’en grote fik maken. Mit Suntere Maarten was er vroeger altijd ’en flinke fuk.We hebben ’en fikkie ’emaakt. ‒ Ook gezegd van een hevige uitslaande brand. || ’t Was ’en lekker fukkie hoor. ‒ Zie fikken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fik , fik , fuk , zelfstandig naamwoord de , Brand. Zegswijze in de fik steke, in brand steken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fik , fik , fiks , mannelijk , fikke , fikske , keeshond.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fik , fiks , sort hond.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
fik , fik , de , brand Die kerel het de rommel in de fik stoken (Een), Hij stak de fik der in en het hiele veld was in een mum van tied iene vuurzee (Smi), Dat huus stiet ien de fik (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fik , fiek , fieke , zelfstandig naamwoord , de; jaap, snee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fik , fikke , zelfstandig naamwoord , de; 1. kwade, lastige vrouw 2. bijdehand meisje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fik , fik , zelfstandig naamwoord , de; brand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fik , fik , zelfstandig naamwoord , fikke , fikkie , brand
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fik , fiks , zelfstandig naamwoord mannelijk , fikse , fikske , fik , (soort hond) VB: 'nne fiks hèt lang haore, sjpitse oere en 'n sjpitse sjnoéts.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fik , fikske , fikkie , vuurtje , ’n Fikske stooke. Vuurtje stoken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
fik , fiks , keeshond
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal