elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fladderen

fladderen , floddere , werkwoord , 1. Dialectische variant van fladderen. 2. Gehaast lopen en vertrappen. | De skeipe benne deur m’n tuintje flodderd. 3. Slordig en gehaast te werk gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fladderen , fliddere , werkwoord , 1. Licht heen en weer bewegen. 2. Slenteren, op straat zwalken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fladderen , fladdere , fladderde, haet of is gefladdert , fladderen; rondzwalken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fladderen , fladdern , flattern , Ook flattern (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. fladderen Wat fladdert die doeven weer in de lindenboom (And), De jongen die fladderen tot het nust uut (Eco), Dat briefie van tiene fladderde hum uut de haanden (Mep), Dei flattert zuk ter ook maor even of hij werkt het af met de Franse slag (Vtm) 2. spetteren, sproeien (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe) De stront die fladdert over ’t bak over de gierbak (Sle), Die koe is an de scheit, het fladdert hum van het gat (Ruw), ...het flattert der of (Pdh), Klein jong zit in de tobbe te fladdern (Dro), Blief toch boven dat aanrecht te fladdern (Hijk) 3. wapperen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Het goed fladdert an de lien (Sle), Die jasse is mij veul te groot, het fladdert der umme (Dwij), As de knollen fladdert mit de Möppeler markt, dan kunt ze nog goed worden: dan pakt de wiend ze, dan hebt ze het an de gaank (Zdw) 4. nu zich weer eens hier bevinden, dan weer daar (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) Zie leupen de hele dag in het veld te fladdern (Ros), De vrouwlu fladdert bij de weg (Emm), Zij fladdert van de iene naor de aander, maar zij kan het nog nargens vinden, donkt mij (Coe), Van het iene op het aandere floddern dan weer dit en dan weer dat doen (Hgv), zie ook bij floddern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fladderen , fladderen , werkwoord , 1. fladderen 2. wapperende bewegingen maken (zoals van vlaggen, wasgoed), ook: zo’n soort gewaarwording ondergaan m.b.t. de ogen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fladderen , flôjere , werkwoord , flôjerde, geflôjerd , lusteloos zijn , zich hangerig voelen flôjere VB: Dat keend mankeert volges mich get, 't flôjert.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal