elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flauwigheid

flauwigheid , flauicheit , flauicheite , flauwigheid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
flauwigheid , flaoweghéij , flauwiteiten , Mi d'r flaoweghéij, ze weete van verveel nie wa ze ût zulle frèète. Met hun flauwiteiten, ze weten van verveeldheid niet wat ze zullen gaan doen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
flauwigheid , flauwighied , zelfstandig naamwoord , de; 1. het zich flauw voelen 2. geheel aan flauw gedrag, flauwe opmerkingen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flauwigheid , flawwighèid , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , flauwigheid , VB: Ich been dy flawwighèid zoe meuj es kaw pap.; voedsel (niet-hartig voedsel) flawwighèid VB: Ich been dy flawwighèid zoe meuj wie kaw pap, ich braoj mich 'n pan sjpek mêt èi.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal