elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: freule

freule , frèle , (de è als in: maire) = freule.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
freule , fruile , vrouwelijk , fruiles , freule.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
freule , fröllie  , zelfstandig naamwoord , jong meisje; eigenlijk verbastering van’vrouwlui’ of ‘vrouwlieden’, dus vrouwvolk, een vrouwmens; Cees Robben – Dè vrammes kende ik al toen ’t nog ’n fröllie was.. (19650716); Cees Robben – Kekt toch ammol nie naor die vröllie... (19760702); Henk van Rijen: fròllie - jonge vrouw, vrouwvolk; WBD III.1.1:5 'vrouwlie' = vrouwen; Stadsnieuws: Dè frammes kèndenik al toen et nog en fröllie waar - Die vrouw kende ik al toen het nog maar een meisje was (220608); WNT FRUL 5) Troetelkind, lievelingetje; DeBo FRUL, troetelkind, keppe, lieveling; Gent FRULLEKE. Troetelkind, lieveling; A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord vr. 'vrellie', - 'vrouwlie, vrouwspersonen, dim. mv. 'vra:lliekes'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal