elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fris

fris , frisch , versch, van brood of vleesch.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
fris , vris , fris , frisch, en = versch; vrisse botter, aier, enz.; vris vlais; vrisse boeskool, ter onderscheiding van: inzette (ingemaakte) boeskool (= zuurkool). – doar wì we’n vrisse dag tou nemen = dat zullen wij op een volgenden dag doen, niet nu, daar wij reeds veel gewerkt hebben, of: het toch niet meer af kunnen. Vgl. kistaier, en zie ook: disse; zonder lichaamsgebrek; hij ’s nooit weer vris wor’n noa dei val.
fris (frisch) = veerdîg = welgemaakt van lijf en leden, welgeschapen, tegengestelde van gebrekkêlk; hij ’s nijt fris = hij ’s nijt recht veerdîg = hij heeft eenig gebrek aan zijne beenen; zij ’s fris en veerdig (tautologie) = zij heeft geene lichaamsgebreken, ’t is eene goed gebouwde, gezonde meid.
vrissen = (op) nieuw; van vrissen of an! = Kom aan; wij zullen ’t nog eens beproeven, ’t nog eens overdoen; van vrissen = op nieuw; van vrissen weer! = met frisschen moed den arbeid hervat! of: welaan, ’t op nieuw beproefd! Oostfriesch van frisken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fris , fris* , vris , vergel. vrisse *, van vrissen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
fris , fris , friske , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , fris onbedorven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fris , fris , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Ook: 1. Vers. | Ik zet efkes ’n fris bakkie koffie. 2. Ongebruikt (voor een bepaalde teelt). | Voor tulpe moet je fris land hewwe. Zegswijze doen effies fris, doe even gewoon, stel je niet zo aan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fris , frisj , frisjer, frisjte , fris.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fris , fris , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. fris, schoon, helder, gezond Hie hef een frisse kleur (Odo), Ik bin niks fris in de hoed niet al te lekker (Gas), Mooi fris haverstro (Sle), Het rok der niet zo barre fris (Die), Fris en zond fris en gezond (Bor), Hij hef de heile nacht nich slaopen, mar hij is nog zo fris as een neute, ..., as een hoen (Emm), ...as een vis (Sti), ...as een ei wat pas van de kip komp (Zwi), ...as morgendauw (Zwin), ...as een veugeltien (Pes), ...as een tute kiplekker (Ros), ...as een jonge hond, ...een appel, ...een bellefleur (Ruw), ...as een hanekeutel (Hijk), Dat is ok niet een frisse geschiedenis er zit een luchtje aan (Een), (zelfst.) Hij is niet zo’n frisse niet zo’n beste (Zdw) 2. vers De stoet fris gebakken is het lekkerst (Coe), Frisse en aole mes verse en oude mest (Sle), Die slaot is zo fris, want ik heb het net oet de tuun haold (Bal), Fris van de lever (Die), Het haozenleger was nog fris (Gro), In de frisse voren zeien in het pas geploegde land (Sle) 3. aan de koud kant Het is mooi weer, mor oet de zun is het fris (And), Het is lekker fris weer vandaog (Een), Het frisse waeter (Smi), (zelfst.) *Van dizze op een frisse gezegd door jongemannen wanneer de verkering uit was (Ndo), ...en van deie op een neie (Bov); Eerst dizzen, dan een frissen (Wei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fris , fris , het , frisdrank Doe mij mor fris, ik moet nog rien (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fris , fris , fris
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fris , fris , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. fris 2. vers
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fris , fris , bijvoeglijk naamwoord , aardig , bekoorlijk fris VB: E fris mèneke, meh 't wêt 't waol.; chic fris VB: Och wat bis te fris met dat noûw kledsje; gekleed (leuk gekleed) fris VB: Och, wat bis te fris mêt dat kledsje!
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal