elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fuiken

fuiken , foeke , foekde, haet of is gefoek , rukken, duwen. Ich mót ’m éns in ’t fetsoen foeke: ik moet er eens een beetje vorm aan geven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fuiken , foeken , foeken, efoekt , fuiken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
fuiken , foéke , werkwoord , foékde, gefoék , vissen , (met de fuik) foéke
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fuiken , [met de fuik vangen] , foeken , (werkwoord) , foeken, efoekt , 1. paling vangen. IJ is vergangen wèke ant foeken ewest, maer IJ ef niks evangen; 2. kreukelen, rimpelen. Ie begint in oew gezichte te foeken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal