elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fundament

fundament , fondement , (onzijdig) , fondementen , aars, achterste, hij viel op zijn fondement; bakers spreken dikwijls van het fondementje van het kind.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
fundament , fondement , Onderste deel van den rug. D(i)ee üppelman strü̂kelde op ’t steiger, kwam op de st(i)eenen neer en is zîn heele fondement ü̂t mekare evallen. Onze Jentjen is zoo branderig; zîn heel fondementjen is rauw.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
fundament , fondement , Onderste deel van den rug. D(i)ee üppelman strü̂kelden op ’t steiger, kwam op de st(i)eenen neer en is zîn heele fondement ü̂t mekare evallen. Onze Jentjen is zoo branderig; zîn heele fondementjen is rauw.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
fundament , fondement , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Variant van fundament. Vgl. Fries fondemint. 2. Schertsend voor derrière. | Wat het dat woif ’n fondement.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fundament , fondẹment , onzijdig , fóndẹmente , fundament, zie het oudere: fóng.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fundament , fundemènt , fundering, fundament.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
fundament , fondement , fondament, fundament, fundement, fonnement , fondementen , Ook fondament, fundament, fundement, Ook uitgesproken als fonnement = 1. fundament, fundering Wij hebt de fondementen der in (Oos), Zie hebt de fundementen der al oet de sleuven voor de fundamenten zijn gegraven (Sle), Zie wilt op het zulfde fondement weer bouwen fundering (Bal), Een dik bord snart, da’s fundement in de mage (Zdw) 2. achterwerk (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij kreeg een schup onder zien fondement dat hij wupte (Hgv) *Een goud fondament is het halve waark (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fundament , follementen , fonnementen, foelementen , meervoud , en var.; fundamenten, fundering
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fundament , föndemeent , zelfstandig naamwoord onzijdig , föndemeente , - , fundering , VB: V'r begênne mêt 't fondemeent te sjtorte en daan goën v'r de kalder opmetsele.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fundament , fóndemênt , zelfstandig naamwoord, onzijdig , fóndemênte , fundament
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
fundament , fundemènt , zelfstandig naamwoord , fundament, achterwerk; De Wijs –  (Gehoord bij de gym-les van m’n jongste dochter) - Ze sprong hoôg genôg mar nèt gedeukt op d’r fundament (17-10-1966);
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal