elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: galop

galop , gelóp , zelfstandig naamwoord de , Galop, in de zegswijze ’t komt in gelop, ’t gaat stapvoe(t)s weer weg, gezegd van een hardnekkige of langdurige kwaal of ziekte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
galop , galop , mannelijk , galöpke , galop, springloop van het paard.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
galop , galóp , in galóp loeëpe, galopperen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
galop , galop , gelop , Ook gelop = galop, draf Zij kwamen der in galop anzetten (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
galop , galop , gelop , zelfstandig naamwoord , de; galop
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal