elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gangbaar

gangbaar , [bruikbaar] , gangbaor , bruikbaar, van werktuigen gezegd: de wan is nog gangbaor. Ook wordt het van een zieke gezegd, die niet bedlegerig, maar nog gaande en staande is. In Gron. wordt het o.a. van sloten, deuren, enz. gezegd, die behoorlijk kunnen draaien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gangbaar , gangboar , bruikbaar, geschikt om aan het doel te beantwoorden. Wordt van een voorwerp of werktuig gezegd dat zelf of waarmede men iets kan verrichten, bv. klokken, horloges, deuren, sloten, pompen, brandspuiten, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gangbaar , gankbaar , gankbaarder, gankbaarste , gangbaar, zie ook: gèngich.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gangbaar , gangbaar , gangbaar; * de grond gangbaar maeken: land ontginnen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gangbaar , gangbaor , bijvoeglijk naamwoord , 1. gangbaar Die aolde wagens sind niet mèer gangbaar (Sle), Een liter is een gangbaore maot (Bal), Dat woord is bij oes niet gangbaor (Coe), Dat is goed gangbaor, der is nogal vraog (Bui), Die fietsen bint niet gangber meer worden niet meer gekocht (Die), Een gangbaor artikel (Dal) 2. bruikbaar (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) De wan is nog gangbaor (dva, wm), Dat juk is nog wel gangbaor; aj het ding oplapt kan het nog een heeil toer met (Eex) 3. geldig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Dat riebewies is niet meer gangbaor (Die), Die aole breefies van 25 bint niet meer gangbaor (Hijk), ...niet meer gangber (Ruw) 4. functionerend (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) De kaor is nog gangbaor (Een), Het is een aolde fiets, maor hie is wal gangbaor (Bor), Wij kunnen de olde trekker niet weer gangbaar kriegen (Hoh), Het spul was gangbaor het werkte (Emm), ’s Aovends hadden ze het spul weer gangbaar, en dou kon de lol begunnen weer aan de gang (Vtm), Zie hebt die deur tuschen de kaomers non weer gangbaor je kunt er weer door (And) 5. ter been, op de been Hij is nog goud gangboor (Eel), Wat kan Tinus mit zien zeuventig jaor nog wat uut de stee zetten. Ja, dat is nog een gangbere kerel (Hav), De zieke is nog gangbaor (wb) 6. goed lopend De tetten zint gangbaar (Sle), De kou het nog een goud gangbaor uur goed melkend uier (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gangbaar , gangber , bijvoeglijk naamwoord , 1. gangbaar 2. geldig 3. veel gevraagd: van artikelen 4. van toestellen enz.: willende werken 5. zich kunnende voortbewegen, zich kunnende redden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gangbaar , [rijklaar] , gangbaar , rijklaar, rijvaardig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gangbaar , gankachtig , in gebruik of te gebruiken (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal