elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ganzenbloem

ganzenbloem , gaanzebloome , zelfstandig naamwoord , margriet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ganzenbloem , gauzebloum , vrouwelijk , gauzebloume , gauzeblömke , gele ganzenbloem, Chrysanthemum segetum.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ganzenbloem , gaanzebloem , de , gaanzebloemn , de = 1. ganzebloem, Chrysanthemum Tourn. (hk:Oost-Drenthe) 2. margriet (Zuidwest-Drenthe, noord)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ganzenbloem , gaanzebloeme , zelfstandig naamwoord , de; ganzenbloem; gele gaanzebloeme gele ganzenbloem, witte gaanzebloeme margriet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ganzenbloem , gaanzeblom , zelfstandig naamwoord , WBD III.4.3:393 gaanzeblom - gele ganzebloem (Chrysanthemum segetum), ook genoemd: pèrsblom [pèrs = van het paard, 'van et pèèrd']
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal