elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ganzentong

ganzentong , gauzetóng , vrouwelijk , gauzetónge , smalle wegbree, Plantago lanceolata.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ganzentong , ganzetòng , zelfstandig naamwoord , paardebloem. De ganzetòng (Taraxacum officinale) is een traktatie voor konijnen. Maar ook varkens en paarden weten er weg mee. Beter bekend onder de naam pisbloem. Kinderen maakten er armbandjes van door de holle stelen in elkaar te steken.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
ganzentong , ganzetónge , paardenbloemen , Wa stôn'ner toch wa ganzetónge, stèkt'ter mér wa ût vur de kniin. Wat staan er toch veel paardenbloemen, steek er maar wat uit voor de konijnen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ganzentong , ganzetonge , gaanzetong , zelfstandig naamwoord, meervoud , paardenbloem (Eindhoven en Kempenland); gaanzetong; paardenbloem (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ganzentong , gaostem , zelfstandig naamwoord , gaosteme , gäöstemke , paardenbloemplant (Taraxacum officinale); verbastering van het woord ‘ganzentong’ (gaostóng), een andere – minder bekende – volksnaam voor deze plant; gaosteme staeke – paardenbloemplanten met een mes uitsteken en verzamelen als voer voor de konijnen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ganzentong , gaanzetong , zelfstandig naamwoord , ganzetong' zelfstandig naamwoord  - paardebloem (Taraxacum officinale); blad v.d. paardebloem, molsla, 'molslaoj' (Taraxacum); Frans Verbunt – = pisblomme; ‘Vadder wè zodde gij lusse, moet ik van ons moeder vraoge’? ‘Gif men mar gaanzetonge’, zittie. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Stadsnieuws - Onze paa ging saoves nao et wèèrk langs de Golsewèg gaanzetonge steeke vur de knèène (070609); WBD III.4.3:287 gaanzetong - paardebloem (Taraxacum officinale); WBD III.2.3:88 'ganzentong' = molsla, ook 'veldsla’; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - 
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal