elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gauwigheid

gauwigheid , gauwigheid , gauwigheid, vlugheid In de gauwigheid jatte héj ’ne kwatta. In de gauwigheid stal hij een reep chocolade; behendigheid Vliêgevangen is ’n gauwigheid Vliegenvangen is een behendigheid.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gauwigheid , gauicheit , vrouwelijk , gauicheite , gauicheitje , gauwigheid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gauwigheid , gauwigheid , in de gauwigheid: heel vlug, snel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gauwigheid , gauwigheid , de , 1. in in de gauwigheid snel Ik mus dat in de gauwigheid doen, en daorum is het niet zo goed wörden (Pdh), Ze pakten èven goed an en waren der in de gauwigheid mit klaor (Hgv) 2. gulp (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie wol gien boks met ’n gauwigheid een gulp met knopen, gezegd toen broeken met gulpen na de klapboksen in gebruik kwamen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gauwigheid , gaauweghéij , handigheid, in een mum van tijd , Alles hi zunnen tiid, mér vlóóje vange is 'n gaauweghéij. Alles heeft zijn tijd, maar vlooien vangen is een handigheid. Handig zijn is in veel dingen meer waard dan kundigheid.
Ze hi dé zó'mér in de gaauweghéij in mekaor gedraojd, ik zoow zó'iet nie kunne. Ze heeft dat zomaar in de een mum van tijd in elkaar geflanst, ik zou zoiets niet kunnen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gauwigheid , gawwighèid , zelfstandig naamwoord , gauwte , gawwighèid VB: Ién de gawwighèid verdeende ich mich toch nog 'nnen hoüp géld.; ién de gawwighèid tijd (in korte tijd); ién de gawwighèid
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gauwigheid , [vlugheid; slimheid] , gauwigeid , (zelfstandig naamwoord) , gauwigheid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gauwigheid , gèwwighèijd , haast, gauwigheid , In de gèwwighèijd wâr ik ’t vergeete. In de haast was ik het vergeten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gauwigheid , [gauwigheid ] , gawwigheid , (vrouwelijk) , gauwigheid , Inne gawwigheid.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gauwigheid , gaaweghèd , zelfstandig naamwoord , in de gaaweghed - in de vlugte; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAUWIGHEID zelfstandig naamwoord; spr. Alles is 'en weet, maar vlooien vangen is 'en gauweigheid.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal