elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gebak

gebak , gebak , of gebekt, voor baksel. , Het gebekt is al in den oven.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gebak , gebak , zelfstandig naamwoord de/’t , 1. Het gebak. 2. Ironisch voor iets onaangenaams, een probleem. | Ze kwam mit dat gebak bai moin, maar ik kon er niet helpe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gebak , gebėks , onzijdig , gebak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gebak , gebak , het , 1. het bakken Hoe hej het met het gebak hoever ben je met het bakken (Sle) 2. taart, gebak Ze kregen gebak bij de koffie (Pes), Het is aordig wried, altied koeke en gebak (Ruw), zie ook gebakkien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gebak , gebêkde , zelfstandig naamwoord mannelijk , gebêkdes , - , brooddeeg , VB: De bekker hool de gebêkde oét de moolt.; drol gebêkde; uitwerpselen gebêkde VB: Dè klejne hèt weer 'nne gebêkde ién die brook hange, zoe te ruke
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gebak , gebekt , zelfstandig naamwoord , bakbenodigdheden (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gebak , gebek , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gebeksels , baksel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal