elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gebrek

gebrek , gebrek , voor ongemak, ongerief, vindt men in de Ordonnantie op het timmeren der afgebrande huijzen te Breda van 1534, bij VAN GHOOR, beschrijving van Breda, ook te vinden, alwaar verboden wordt: “de oiststallen der hoefsmits niet verder met derzelver uittersten mogen setten dan hun luiden bij den Schouth en Borgemeesteren is geconsenteerd opdat die straet, noch ook de gebueren daar by geen gebreck en hebben.” Zie omtrent deze beteekenis van gebrek wijlen den Heer VAN HASSELT op dit woord bij KILIAAN.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
gebrek , gebrek , (onzijdig) , gebréke , gebrek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gebrek , gebrek , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gebrek, ook van karakter
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gebrek , gebrėk , onzijdig , gebreeke , gebrėkske , gebrek, zie het oudere: faelder.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gebrek , gebrek , het , gebreken , 1. gebrek, gemis Het is een gebrek aj gien goeie spullen hebt um met te warken (Pdh), Ik heb gebrek an geld (Dwi), Wie mut er tegenwoordig nog gebrek lien ien oes laand (Ruw), Paartie begunt bij gebrek an woorden te houwen (Eex), Bij gebrek an een betere moew het er mar mit doen (Wsv) 2. ziekte, gebrek Hij hef een gebrek, hij stöttert (Nam), Hie hef een verkeerd gebrek dodelijke ziekte, meestal kanker (Sle), nu kanker, vroeger ook tuberculose (Pdh), ook: Hij hef gien best gebrek (Man), Hef disse koe ook een verbörgen gebrek? een gebrek dat niet te zien is (Ruw), Die auto zit vol gebreken (Ndo) 3. tekortkoming Hij haar ein gebrek, hij zeup teveul (Bco), Hie is in gebreke bleven (Wijs) *Elke gek het zien gebrek iedereen heeft wel een gekke eigenschap (Eco); Gebrek hef gien neuze en ongeliek hef een bochel (Mep); Aolderdom komt met gebreken (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gebrek , gebrek , gebrek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gebrek , brek , bijvoeglijk naamwoord , 1. nodig, bijv. Ik ben nog iene spieker brek 2. schuldig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gebrek , gebrieëk , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gebrieëke , gebrek, tekortkoming
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal