elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geelhaar

geelhaar , geelhoar , het peesachtig gedeelte der spieren van geslacht vee.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geelhaar , gaelhaor , onzijdig , nekpees van kalf en rund.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geelhaar , geelhaor , het , geelhaar, taaie, smakeloze, geelachtige pezen in het vlees Dat geelhaor lustte ik nooit (Eri), Vrogger weur de hoed van de vlegelstok van geelhaor maakt (Ndo), Toou, kinder, dat geelhaor moej opeten, daor kuj mooi van zingen (Eex), zo ook Wat kan die jong zingen, die hef vast veul geelhaor had (Sle), Dai gait nog lang nait dood, want dai is zo taoi as geelhaor (Vtm), zie ook zwil(k)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geelhaar , gèèloor , taai, oneetbaar vlees.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
geelhaar , geelhaor , geelaor, geeloor , zelfstandig naamwoord , et; taaie, smakeloze pezen aan het vlees dat men eet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geelhaar , geelhaer , zelfstandig naamwoord , geelhaere , geelhaertie , [O] 1. pezen in vlees Slecht vlaais mè veul geelhaer Slecht vlees met veel pezen 2. geelhaar, chagrijnig persoon; Dat is een echten geelhaer Gezegd van een chagrijnig, eigenwijs persoon; Die is van geelhaer Die is keihard (ook: die heeft een enorm incasseringsvermogen)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
geelhaar , gël haor , zelfstandig naamwoord , rund , (deel van een rund) gël haor
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geelhaar , [geelhaar] , geelhaor , pees (in vlees) (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal