elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geer

geer , geer , Driehoek met een langwerpigen zeer scherpen hoek.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
geer , geere , (vrouwelijk) , geeren , geer.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
geer , gier , geer , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Geerakker; een stuk land, dat giert (geert). Zie gieren. || Anna Duyff Wouters, die gieren, Stoelb. Assend. f° 14 r° (einde 16de e.). Symon Claes Maerts gieren, ald., f° 15 v°. Die gieren in Roeloff Baerts-weer, Polderl. Assend. II f° 195 v° (a° 1600). – Gier is de N.-Holl. vorm van Ned. geer; zie Ned. Wdb. IV, 689.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
geer , geerde , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In een schip of schuit. De schuin geplaatste plank bij de steven, die tot steun dient voor de welving. || Je moete de geerde niet te schuin leggen. De planken met een sponningh in de steven: drie duyms binnesponningh; de geerde met een berst van 2 duym op de boom, opdat sy niet scharp werden uytgewerkt; de planken aan de steven na beneden 4 voet en boven op de steven 1½ voet langh, Hs. bestek modderschuit (a° 1736), archief v. Zaandam. Vgl. Ned. geer in soortgelijke zin vermeld in Ned. Wdb. IV, 690 β.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
geer , [vreemdeling, niet-jood die is overgegaan tot jodendom] , geir , Hebr. GER = vreemdeling. Terminus technicus voor proseliet. Men stond afwijzend tegenover zieltjes-winnen. Vrouwlijk GEJOERES. Een geir werd in sjoel opgeroepen als “zoon van onze aartsvader Abraham” met wie de historie der (besneden) joden heette begonnen. De besnijdenis als teken van het VERBOND, BERIET. Op een grafsteen bij Jongeling vind ik onder Nieuweschans 31 vermeld: “de tot het jodendom bekeerde vrouw (gejoeres) Sara, dochter van Abraham.” Cultuurhistorisch valt op te merken, dat het hier gaat om een Duitse vrouw Sarah A. Ries. Over de grens kon men gemakkelijker dan in Nederland tot het jodendom overgaan.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
geer , geer , mannelijk, vrouwelijk , geere , geerke , geer, zie: geere.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geer , giër , ut schune gediëlte ván enne plak groond.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
geer , geer , gèer , geren , Ook gèer (Zuidwest-Drenthe, noord) = geer, schuin lopende strook Wij hebt een akker met een geer en dat is zo lastig met het ploegen (Zwe), Vrouger muzzen de vrouwlu een geer an het hemd hebben (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geer , gere , geer , zelfstandig naamwoord , de; geer: schuin toelopende baan in kledingstuk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geer , gier , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , giere , gierke , geer , (kleermakersterm) gier VB: 'n gier ês 'nne van boëve nao oonder oétloüpende lap oe m'r 'n brook of e klèid brejjer mak.; inzetstuk (in hout) gier VB: 'n gier zitte ze ién e sjtök hoüt dat gesjpliëten ês.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geer , [boezem] , geer , geere , 1. boezem; 2. koeienuier (kwaod geer, ontstoken uier); 3. in een punt uitlopend (gerend) land, textiel etc. Ook: geerland, geertippe. Zie ook timp(e), tip(pe) .
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
geer , gieër , (mannelijk) , gieëre , gieërke , 1. geerakker, spits toelopend stuk grond; 2. spits toelopende strook stof aan een rok
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geer , giër , zelfstandig naamwoord , giëre , giërke , geerakker, taps toelopend stuk land; giërke – 1. een naar boven spits toelopende strook stof die onder aan de rok in de naad wordt tussengevoegd om de rok wijd te laten uitlopen 2. een (naar beneden spits toelopende) strook stof die in de naad van de taille wordt tussengevoegd om de taille te verwijden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
geer , gier , geer , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gierke , tweede vorm Nederweerts; taps toelopende akker
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
geer , gêer , zelfstandig naamwoord , WBD geer (II:1225) - geer; Van Dale - geer: naar boven spits uitlopende lap of strook; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEER (scherpe e) zelfstandig naamwoord m. en niet v. - scherptoeloopend stuk, dat men in een kleedingstuk naait om de breedte te vergrooten.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
geer , gier , perceel (driehoekig)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal