elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geestelijke

geestelijke , geiselik , geistelik , mannelijk , geiselikke , priester.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geestelijke , geistelukke , priester.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
geestelijke , geestelijke , de , geestelijken , geestelijke, lid van de geestelijke stand Ze zegt dat de geestelijken wal geern een borrel lust geestelijkheid (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geestelijke , gisteleke , geestelijken , Ur is 'n tekort ôn pestóórs én kappelôns, de gisteleke zén zó'mér vórt dun gezaojd. Er is een tekort aan pastoors en kapelaans, de geestelijken zijn zeldzaam geworden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
geestelijke , gèiselik , zelfstandig naamwoord mannelijk , gèiselikke , - , geestelijke , VB: Ze hawwe ziëve joûnge en twie devan zién gèiselik gewoerde.; priester VB: Twie van hön dry zëuns zién gèiselik woerde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geestelijke , gesteleke , geestelijke
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
geestelijke , gisteleke , geestelijke
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
geestelijke , geîstelik , zelfstandig naamwoord, mannelijk , geîstelike , geestelijke, priester
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
geestelijke , geiselik , geestelijke
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal