elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geestig

geestig , geestig , vurig, met opgewektheid, bijvoorbeeld preêken.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
geestig , gijstîg , (= geestig) = als een geest; hij zōcht ’r zoo gijstîg oet = bleek en vermagerd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geestig , geestig , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Ook: vol vluchtige delen, werkende; van hout, waar veel hars in zit. || Het hout moet eerst wat uitwerken, want ’et is zo geestig; je ken ’et nou nog niet gebruiken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
geestig , [levendig] , geestig , levendig. Te geestig zijn b.v. voor het vak van draaier, te ongedurig.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
geestig , geistig , bijvoeglijk naamwoord , Ook: 1. Met veel spirit, vurig. | ’t Is ’n geistig peerdje. 2. Grillig, met kuren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
geestig , geistich , geistigger, geistichste , geestig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geestig , giestig , geestig , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook geestig (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = geestig Hij kan aordig geestig uut de hoek komen (Dwi), Huufst niet zo geestig te doen, doe maar gewoon (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geestig , geestig , bijvoeglijk naamwoord , 1. geestig 2. met een vale, ziekelijke gelaatskleur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geestig , gèistig , bijvoeglijk naamwoord , geestig , VB: Dè kênt altiéd zoe gèistig oét d'n hook koëme.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geestig , gisteg , bijvoeglijk naamwoord , pienter (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
geestig , geistig , bijvoeglijk naamwoord , geistige , 1. geestig 2. geestelijk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal