elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gefemel

gefemel , gefeemel , onzijdig , gefemel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gefemel , gefemel , gefiemel , (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook gefiemel (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. praatjes, gezeur (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Dat gefemel van oe begunt mij te vervelen, zeg nou ies rechtuut wat aj bedoelt (Noo), Schei mot uut mit oen gefemel, al die smoesies hölpt oe niks, ik wil gewoon mien geld (Pes) 2. vroom gepraat (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Holt toch ies op mit oen gefemel, zo vroom bi’j aans ook niet (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gefemel , gefiemel , zelfstandig naamwoord , et; gepeuter, gepruts
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal