elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gehaspel

gehaspel , gehaspels , onzijdig , gehaspel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gehaspel , gehaspel , het , 1. geruzie, gekibbel Hol op mit dat gehaspel en gao ies wat doen (Mep), Wat maakt ze daor een gehaspel over (Geb) 2. gehakkel (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Wat is dat toch aal veur een gehaspel, ik verstao er niks van (Hoh), Dat was mij een gehaspel, ik heb der gien woord van begrepen (Hol) 3. moeizaam gedoe (Zuidoost-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Aj scheuvellopen moet lèren, is het eerst een hiel gehaspel achter het stoeltien an (Ndo), Wat was het een gehaspel met dat peerd (Klv), Och, wat een gehaspel om dat heui binnen te kriegen (Row), zie ook gehannes
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gehaspel , gehaspel , zelfstandig naamwoord , et 1. geruzie 2. het stuntelig bezig zijn 3. gedoe om klaar te krijgen 4. onduidelijk gepraat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal