elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gemenigheid

gemenigheid , gemeinicheit , vrouwelijk , gemeinicheite , gemeinicheitje , gemeenheid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gemenigheid , gemienigheid , de , gemienigheden , een gemene streek, gemenigheid, valsheid Ie hebt vul te veul veur dat draod betaald, dat is volgens mij gien vergissing mèer, mor allend gemienigheid, ik heb der al mèer over heuren klagen (Bei), Wat een gemienigheid, ie kunt op die lui op veur gien cent an (Hgv), Deur zien gemeeinigheid aaid wil gieneein meer met hum speulen (Eex), De gemienigheid schient hum de ogen uut (Mep), ...straalt hum uut de ogen (Klv), Daor is niks gien gemienigheid bij (Man), Hij is de gemenigheid zölf hij is erg gemeen (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gemenigheid , gemenigeid , (Gunninks woordenlijst van 1908) oneerlijkheid, slechtheid
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gemenigheid , gemienighied , zelfstandig naamwoord , de; gemeenheid, valsheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemenigheid , gemèèneghèd , zelfstandig naamwoord , gemeenheid, slechtheid, laagheid
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gemenigheid , gemeinigheid , gemeenheid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal