elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geriefhout

geriefhout , gereifhout , onzijdig , geriefhout (voor landbouw en tuinbouw).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geriefhout , geriefholt , het , geriefhout Een markebossien veur het geriefholt (sm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geriefhout , geriefhout , allerlei soorten hout door elkaar waar je, als er iets getimmerd moet worden, altijd wel iets tussen vindt
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
geriefhout , geriefhaawt , zelfstandig naamwoord , geriefhout, timmerhout; Cees Robben – En ik vuul me as geriefhout verzinken... (19550730); Lowie van Dorrus Misters - Maar er was nog meer nodig voor hof en stal, namelijk geriefhout om bijvoorbeeld de omheining en/of vloer van het varkenshok in stand te houden of voor de afscheiding der andere stalbewoners, ook voor boonstaken en palen voor de droogdraden enz. Die werden ook wel eens stiekem gekapt, maar dat bleef toch altijd gevaarlijk. Meestal werd dat geriefhout gekocht op verkopingen in de wintertijd. De dennenbossen aan de Bredaseweg of in de Blaak werden geregeld gedund. De uitgekapte boompjes werden in hoopjes gelegd en genummerd. Dan werd gelegenheid gegeven de kopen te bezichtigen en konden de kijkers de nummers noteren van de kopen, die hun het best aanstonden. In de Warande, eigenaar notaris Daamen, en de pannenbakkerij van de familie v.d. Mortel was geregeld ieder jaar zulk een verkoping. Na de verkoping trokken de kopers er op uit om de boompjes van takken te ontdoen. Hiervan werd met eiken wissen mutserd gebonden en als alles klaar was, bestelde men een voerman die de boel thuis bracht. Voor het mutserd binden gebruikte men een eiken wis, dit is een lange eiken stok, omdat deze bij het draaien boog zonder te breken. Later toen die wallen meer werden gerooid, nam men gebrande ijzerdraad om mutserd te binden. Wallen waren 3 à 4 meter brede schaarhoutbosjes, die dikwijls om de akkers lagen. Zij bestonden uit oude stronken, die als het bovenhout groot genoeg was voor mutserd, werden gekapt en dan weer opnieuw uitschoten. Door de behoefte aan meer bouwland werden die oude tronken uitgegraven, zodat ze thans in de omstreken van Tilburg zo goed als niet meer voorkomen. Ook de jaarlijkse houtverkopingen hebben afgedaan. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 ‘Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken’; NTC 29-3-1951)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal