elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: halfje

halfje , halfje , (hallǝfie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een half boezelaar, dat bij vuil werk over de schort wordt gedragen om deze van boven te sparen. || Doen ʼen halfie voor. Vijf boeselaars, vier halfjes. Hs. invent. (Krommenie, a° 1796), prov. archief.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
halfje , haalfie , (ouderwets), halve cent
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
halfje , hèifke , onzijdig , halfje (een halfmaatje is twee “pénjt” of acht “veedelkes”: 0,72875 liter).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
halfje , hälfie , halfje; * mu’j nog koffie? doe mie nog mà een hälfie.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
halfje , halfien , het , halfies , halfje, halve cent Wij kochten veur een halve cent doemdrup en veur het aandere halfien een stuk vèterdrup (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
halfje , älfien , 1. halve cent; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vaatje boter van 10 kg
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
halfje , hâlfien , half brood of halve liter melk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
halfje , halfien , zelfstandig naamwoord , et 1. de helft van iets 2. een half glaasje drank e.d. 3. halve cent
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
halfje , hallefie , zelfstandig naamwoord , hallefies , 1. halve centstuk 2. half brood (800 gram) Een hêêl brôôd woog 1600 gram, een hallefie 800 gram en een poñdjie 400 gram
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
halfje , älfien , (zelfstandig naamwoord) , 1. half brood. Bakker, doe mi’j vandaege maer een älfien; 2. oude halve cent.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
halfje , halfke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , "halve-centstuk; HALFKE Pierre van Beek – Wanneer iemand ""z'n geld aon z'n hart gewaasen is"" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel ""'n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep"". Men heeft nu eenmaal van die ""vuil meense"" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 18 maart 1950; Cees Robben – Gin hallefke mir in de knip... (19641204); Brabantse spreekwoorden (Mandos): van en halfke is den boer rèèk gewòrre (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1970)-let op de kleintjes. WBD III.3.1 :151 'halfje (halfke)' = halve-centstuk; WBD III.4.4:297 'halfke' = kwart liter, ook 'neuker' of 'uppie'; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ; HALFKEN zelfstandig naamwoordo. - kleine borrel"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal