elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: halsband

halsband , halsbanjt , mannelijk , halsbènj , halsbènjtje , halsband. Hae löp aan den halsbanjt: zijn vrouw heeft de broek aan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
halsband , halsbaand , de , halsband De hond har gien halsband um (Bov), Ie mut de halsbaand goed vaste maken, aans blif het heufdstel niet zitten (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
halsband , halsbaand , zelfstandig naamwoord , WBD (Hasselt): halster (hoofdstel, bestaande uit een ronde band om de neus v.h. paard en daaraan een band bevestigd om de nek, waarmee het paard in de stal is vastgebonden); (Hasselt) stalband (de band om de nek v.h. paard, waarmee men het op; stal vastbindt; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HALSBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - halsboord, boord: bij landb.: band rond den hals, waarmede de beest op stal staat.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal