elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handboom

handboom , hanjtboum , mannelijk , hanjtboum , handboom.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
handboom , haandboom , zelfstandig naamwoord , de; ploegboom van een steltploeg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
handboom , haandboüm , zelfstandig naamwoord mannelijk , haandbûim , - , hefboom , VB: Mêt dèn haandboüm krys te dè petrêl waol verplaots, deenk ich.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal