elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handdoek

handdoek , hanjtdouk , mannelijk , hanjtduik , hanjtduikske , handdoek.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
handdoek , handdoek , de , handdoek Dou mie even de handdouk, dat kan ik mie het gezicht even ofdreugen (Bov), Daor hank jao gien handdoek, ik kan mij niet ofdreugen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
handdoek , âândoek , handdoek.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
handdoek , [doek om handen te drogen] , andoek , handdoek , gif d’is n’n schwôône andoek want d’n deeze is vuil = geef eens een schone handdoek want deze is vuil-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
handdoek , handjdook , (mannelijk) , handdoek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
handdoek , handdaok , handdeuk , handdukske , handdoek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal