elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handgeld

handgeld , hanjtgeljt , onzijdig , handgeld. “Ich zal dich hanjtgeljt gaeve” wordt gezegd van het eerste geld, dat een koopman die dag int; aanbetaling voor een dienst of levering.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
handgeld , handgeld , het , handgeld bij het aannemen van meid of knecht Deur het annimmen van een handpenning zaten de knecht of de meid an de betrekken vaast; zeden ze dizzen op, eer de tied verstreken was, dan mudden ze de handpenning weerumbetaolen (Eex), zie ook handpenning
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
handgeld , haandgeld , zelfstandig naamwoord , et 1. voor de zekerheid vooruitbetaald bedrag 2. premie, eerste uitbetaling aan iemand 3. kleingeld 4. klein bedrag 5. contant geld 6. geld dat te veel is betaald maar dat men niet hoeft terug te betalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
handgeld , [betaling bij een overeenkomst] , andgeld , (zelfstandig naamwoord) , 1. handgeld; 2. aanbetaling.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal