elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hang

hang , hang , mannelijk , hange , berghelling of flank.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hang , hang , de , hangen , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, N) = 1. helling (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) Die peerden kunnen dat niet doen as ze in de hang zitten (Klv), Daor net in die hang zat dik gres (Oos), Dat laand, door zit een hang in (Eco), Daor zat nogal wat hang in dei bult (Ros), zie ook ofhang 2. behoefte (ov) Maor heur hang naor schrieven kwam al vro aan het licht 3. haal, heugel boven het vuur (Zuidoost-Drents zandgebied) Zal ik de ketel mar even an de hang hangen, moe? Ik wil gèern wat warm water hebben (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hang , ang , bepaald soort scharnier, deze werd veelvuldig gebruikt op deuren voor boerenschuren en stallen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
Hang , Hang, ’t , Haringstraat. Dit straatje tussen Voorstraat en Lange Breestraat werd zo genoemd, omdat verschillende Dordtenaren zich er hebben opgehangen
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal