elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hups

hups , hupsj , hupsjer, hupsjte , aardig, knap. Hupsj zitte: gezegd tegen een kind: mooi rechtop zitten; tegen een hond: mooizitten. Dat gruin klëtje haet dich ummer hupsj gesjtange: kan onder vrouwen erg dubbelzinnig zijn namelijk: het kleedde je werkelijk goed, of: je had
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hups , hups , bijvoeglijk naamwoord , 1. goed gezond, bijv. goed hups kerngezond 2. frivool 3. in een hups ding een wijsneuzig meisje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hups , hups , hupsjes , 1. aardig, mooi, welgevallig, plezierig; 2. tamelijk, nogal; hups um de neuze, bleek uitziend.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hups , huupsj , bijvoeglijk naamwoord , huupsje , mooi, bekoorlijk; ein huupsj maetje (Duis: hübsch)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal