elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ijsbloem

ijsbloem , iesbloome , zelfstandig naamwoord , bloemen op de ramen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ijsbloem , iesbloum , vrouwelijk , iesbloume , iesblömke , ijsbloem.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ijsbloem , ijsblom , zelfstandig naamwoord , ijsblomme , ijsblommechie , ijsbloem ’t Had knappies gevroore, de ijsblomme stonge op de raome Het heeft behoorlijk gevroren; de ijsbloemen stonden op de ruiten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ijsbloem , [ijsbloem] , iesbloom , (vrouwelijk) , ijsbloem
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal