elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ijzel

ijzel , ysel , hijsel , bevroren nevel.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ijzel  , iessel , wanneer na hard vriezen, de straat nat wordt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ijzel , iizel , ijzel; zie ook: giizel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ijzel , giezl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , ijzel. Nen giezl op de hoed hebm, gejaagd zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ijzel , iezel , mannelijk , ijzel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ijzel , izjel , ijzel, onderkoelde regen waarvan de straten spiegelglad worden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
ijzel , giezel , ijzel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
ijzel , giezel , rijp, ijzel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ijzel , giezel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = rijm De giezel valt van de boom (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ijzel , iezel , de , ijzel De radio hef iezel veurspeld (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ijzel , hijzel , ijzel, rijp. trekt mar ’n par kousen ovver de klompen, wantt hijzelt, trek maar een paar kousen over de klompen, want het ijzelt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ijzel , gîêzel , îêzel , (Kampereiland, Kamperveen) ijzel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: îêzel (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ijzel , giezel , rijp. De giezel zit an de boomm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ijzel , iezel , ijzel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ijzel , hiizel , ijzel , Hiizel óp d'n tak, kórre in de zak. IJzel op de tak, graan in de zak. Vorst in het voorjaar voorspelt een goede graanoogst.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ijzel , iezel , zelfstandig naamwoord , de; 1. onderkoelde regen 2. ijslaagje gevormd door onderkoelde regen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ijzel , iésel , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , ijzel , VB: Lêt op, dao lik iésel, de briks de bejn vuurdat ste 't wêts.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ijzel , hèìjzel , ijzel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ijzel , iezel , (zelfstandig naamwoord) , ijzel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ijzel , giezel , 1. ijzel; 2. (znw.) rijp.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ijzel , iesel , iezel , (mannelijk) , ijzel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ijzel , iêsel , iêzel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , ijzel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ijzel , iesel , ijzel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal