elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: inhouden

inhouden , inhouden , aanhouden = zich naar iets regelen of gedragen. , Houd er op in. Ik zal het er op aanhouden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
inhouden , inhollen , (inhouden), in de uitdrukking: wat zal dat inhollen? (Westerwolde) = wat zal dat beduiden? – ik kōn mie nijt inhollen van lachen (= ik kon mien lachen nijt loaten) = ik kon het lachen, of: mijn lach niet bedwingen, niet inhouden. ʼt Eerste sluit in: luid lachen, het tweede kan ook glimlachen zijn. – Ook = voorloopig intrekken, niet gunnen, bij eene veiling, bij v. Dale: ophouden. Zie: intrekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
inhouden , inhaute , hólj in, haet of is ingehaute , inhouden. Haut dich ẹ bitjen in: kalm aan een beetje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
inhouden , inhoalen , heuld in, in ehoalen , inhouden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
inhouden , inholden , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. inhouden Ze hebt mij aordig belasting inholden (Wei), Ik zal oe het geld inholden (Dwi), Ik huul de aom in, zo spannend was het (Sle), Een duker die gien zuurstofapparaat op hef, möt zolange de aodem inholden (Wsv), Het peerd inholden, aans giet je het voor der of! (Bui), De greunkaamp is op de verkoping niet vortgaon, ze hebt het inholden niet gegund bij verkoping (Gas) 2. (wederk.) zich inhouden Ik kun mij niet langer inholden, toen heb ik het der mar uut flapt (Klv), Ik haar de duvel in, ik kun mai haost neit inholden (Row) 3. betekenen Dat holdt wat in veurdet hij klaor is er komt heel wat kijken (Zdw), Wat dat inholdt dat wee’k niet (Wee) 4. binnenhouden Hie kan niks inholden, aal het eten is der vandaog nog oetkommen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
inhouden , inholen , werkwoord , 1. bedwingen, niet de vrije loop laten, binnen houden 2. te beduiden hebben 3. niet gunnen bij een verkoping 4. tijdelijk afnemen, inhouden van geld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
inhouden , iénhawe , werkwoord , vaart , (vaart minderen) iénhawe (zie 'houden') VB: De môs éffe iénhawe, aanders haaw ich dich neet bié.; inhouden (zie 'houden') VB: 'nne Get op ze loen iémhawe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
inhouden , [in zich hebben] , in-ollen , (werkwoord) , inhouden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
inhouden , inhébbe , lang duren, inhouden , ’t Hi hul wa in vurdèttie is begint. Het duurt lang voordat hij eens begint.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
inhouden , [inhouden ] , inhaoje , 1. inhouden 2. stoppen 3. langzamer rijden
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
inhouden , inhaoje , werkwoord , inhouden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
inhouden , inhaawe , sterk werkwoord , inhaawe - hiel(d) in - ingehaawe , inhouden; (zich) bedwingen; Ik kós menèège niemer inhaawe - ik kon me niet meer bedwingen; Henk van Rijen:  'Omdè-k hil de tèèt munne laag ha motte inhaawe'; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch 1899: ;  INHOUDEN - te beteekenen hebben
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal