elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: inluiden

inluiden , iloeƫ , loede in, haet of is igeloet , inluiden van feesten, processies et cetera.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
inluiden , inluun , zwak werkwoord, overgankelijk , inluiden Ze bint het neie jaor an het inluden (Bal), (fig.) Wij gaon het neie jaor thuus inluden (Coe), Hail vrouger huilen ze twai daogen naaijoor en as de olden dan de twaide dag kwamen zeden ze: Wai wolden het naaijoor inluden, nog veul zegen (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
inluiden , inluden , werkwoord , 1. inluiden: van een nieuw jaar 2. feestelijk verwelkomen, bijv. een burgemeester
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
inluiden , [aankondigen] , inluden , (werkwoord) , inluiden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal