elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: innemen

innemen , innumme , noum in, haet of is ingenómme , innemen. Hae is gout van innumme: hij is een goed eter.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
innemen , innimmen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. tot zich nemen Medicienen kan ik altied hiel makkelijk innimmen (Eke), Hie zut er best oet, maor hij wet ok van innimmen eet en drinkt graag (Bei), Hij wil van een aander eerder wat innimmen as annimmen (Eex), Wij bint net an het innemen eten (Hol) 2. invouwen Je moet die jurk wat innimmen, hij is je te wied (Wes), De rugge muj wat innemen (Noo) 3. bezetten, beslaan Die grote stoule nemp veul te veul ruumte in (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
innemen , innèmme , drinken , És ge inde frut zit moet'te nie meej nô de flés vatte, meej innèmme schiet'te niks óp. Als je overspannen bent moet je niet meteen aan de drank gaan, met drinken los je niets op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
innemen , innemen , werkwoord , 1. innemen 2. korter, kleiner maken (bij naaien) 3. gebruiken, nuttigen, bijv. ’t Is wel in te nemen ’t is wel lekker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
innemen , [binnenbrengen] , innemmen , (werkwoord) , innemen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
innemen , inneeme , sterk werkwoord , innemen (in div. bet.); gez. goed van inneeme - inhalig, schrokkig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal