elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: inschieten

inschieten , inskeetn , werkwoord , in de gedachten komen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
inschieten , inskiete , werkwoord , Ook: verstellen (van kleding).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
inschieten , insjeite , sjoot in, haet of is ingesjaote , inschieten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
inschieten , insjie:te , brood in de oven plaatsen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
inschieten , inschieten , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. inschieten Wij schiet het neie jaor in (Hol), Dei beide kunt best met mekaor ze bint goud op mekaor inschoten (Vri) 2. in der bij inschieten missen, ontberen Hie kan gooud handeln, hie schöt er niet vaok bij in legt er niet vaak op toe (Eex), Hij is er geld bij in escheuten (Wap), In de drokte is at er bie inschoten blijven liggen (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
inschieten , inschieten , werkwoord , 1. door te schieten vernielen 2. door vuurwerk af te steken het nieuwe jaar inluiden, in zinnen als Ze schieten et oolde jaor uut en et ni’je in 3. in d’r bi’j inschieten erbij inschieten 4. erg snel in iets gaan, komen 5. inschieten bij voetbal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
inschieten , [inschieten ] , insjete , 1. inschieten (voordat een schutterswedstrijd begint) 2. binnenschuiven
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
inschieten , insjéte , werkwoord , sjuutj in, sjoeët in, ingesjoeëte , 1. testen van wapens; oefenen met schieten vlak voor een wedstrijd op een schuttersfeest 2. door schieten breken: roete insjéte – ramen inschieten 3. het plaatsen van broden en vlaaien in de oven, met behulp van een lange stok die aan het uiteinde is voorzien van een plankje met afgeronde hoeken 4. de liefde bedrijven (betrekking hebbend op de activiteit van de man); spreuk op een bord in een bakkerij: We mótte opsjéte, want we mótte nog insjéte – we moeten opschieten, want we moeten nog inschieten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
inschieten , inscheête , werkwoord , schutj in, schoeët/schoot in, , inschieten (brood in oven), kwijtraken, d'rbeej -, tekort komen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
inschieten , inschiete , sterk werkwoord , inschiete - schoot in - ingeschoote , WBD inschieten; WBD aantrekken: schiet gaa in mèn lèèrze - trek gauw mijn laarzen aan; WBD inschieten (het deegbrood in de oven plaatsen); WBD inschiete (III:1O38) - inschieten (v.d. weefspoel /inslag); ook: schiete, inslaon, durslaon, slaon of gooje; WBD inschiete (II:104l) - inschieten: inweven v.e. kleur of patroon; De Bont:  bij buren een of meer mikken resp. broden laten bakken. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch 1899: INSCHIETEN, bij naaisters: 'Nen lap in een kleedingstuk inschieten' - er eenen lap innaaien om het te herstellen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
inschieten , inschaete , inschieten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal