elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: intocht

intocht , [intrek] , intocht , intrek; ergens zijn intocht nemen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
intocht  , intoch , intocht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
intocht , intóch , mannelijk , intóchte , intocht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
intocht , intocht , de , intochten , 1. intocht Sunterklaos döt zaoterdag zien intocht in ’t Hogeveine (Hgv), De burgermeester hef zien intocht hölden (Scho) 2. intrek (wp) Hij hef daor zien intocht eneumen zijn intrek genomen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal