elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: inzetten

inzetten , inzetten , beginnen, nl. met eene jacht; wie hebben doar (bv. bij die boerderij, enz.) inzet; de inzet is in dezen het punt, de plaats, vanwaar de jacht een begin neemt; – September zet goud in = die maand begint met goed weder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
inzetten , inzetten , inleggen, van augurken, uien, enz., en = inmaken van kool, boonen, enz.; hiervan: inzette boeskool = zuurkool, als – inzette boonen = ingemaakte snijboonen, prōnkers, enz. Nedersaksisch insetten, Hoogduitsch einmachen, van vruchten in suiker, zout, azijn, enz.
inzet eten zuurkool en snijboonen; de boeren hebben midden in ’t zömer nog inzet eten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
inzetten , inzetn , werkwoord , stenen in de oven zetten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
inzetten , inzëtte , izëtte , zat in, haet of is ingezat , inzetten.; izëtte inzetten; inleggen. Allemaol igezat: allemaal de inleg betaald?
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
inzetten , inzetten , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. inzetten Toen der nog gien orgel in de karke was, mus de veurzanger de pesalms en gezangen inzetten (Hav), Hij zedde dat leid veul te lege ien (Bov), Zij hebt daor vakmensen inzet (Bui), Wie zetten de gang der is even flink in (Eco), Hij hef vief gulden inzet ingelegd (Nsch), Hij hef zuk er dik inzet heeft veel schulden op zich genomen (Sle) 2. plaatsen Ze hebt door neie roeten inzet (Bco) 3. een bod doen Het hoes weur inholden op de verkoping het was niet hoog genog inzet (Emm) 4. inmaken Wij hebt een grote toen, daorum zet wij aal jaor heeil wat in (Eex), Wij bint an het bonnen inzetten (Hoh) 5. (wederk.) zich inspannen Hij wol wel warken, hij wol hum der wel veur inzetten (Ruw), Hij zette zuk veur de aander in (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
inzetten , inzetten , werkwoord , 1. inzetten 2. in de grond zetten van een ploeg, om te beginnen 3. opnieuw beginnen met het maaien en wellen 4. in een bep. richting trekken 5. naar binnen verplaatsen, bijv. et linnenrak mit de waske tegere inzetten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
inzetten , iénzitte , werkwoord , zat ién, iéngezat , inkorven , (postduiven inkorven) iénzitte; e sjtök iénzitte verstellen (kleding); e sjtök iénzitte
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
inzetten , inzètte , 1. inzetten 2. inleggen bij kansspel , Ein noew roet inzètte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
inzetten , inzètte , zwak werkwoord , inzètte - zètte(n) in - ingezèt , inzetten; WBD inzètte - inzetten, inwerken, in bewerking nemen, c.q. be- of verwerken van huiden (II:596); WBD inzètte (II:l036) - opsteken van pijpspoelen; ook: opdoen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal