elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jonkheid

jonkheid , joonkhaejd , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , jeugd, jonge jaren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
jonkheid , jónkheit , mannelijk , jeugd; jeugdigheid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
jonkheid , jonkheid , de jeugd.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
jonkheid , jonkheid , de , jonkheid, jeugd Hie ligt er oet bij de jonkheid (Sle), De jonkheid zit er nog in (Pdh), Dat giet wal over dat is niks as jonkheid gezegd wanneer iemand moet bevallen en zich niet lekker voelt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal