elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: judas

judas , Judas , (zie: Judassen) één van het gezelschap die de kas houdt; wel zel Judas wezen? Ook = valschaard. Vgl. Zeeman bl. 312.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
judas , judas , korte schrepel (wied ijzer)
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
judas , joedas , mannelijk , joedės , joedėske , judas.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
judas , judas , de , judassen , gemene, slechte, onbetrouwbare vent Die judas het de boul besodemieterd (Nor), Holdt hum in de gaten, het is een judas (Mep), Dat is een dikke judas (Anl), Dat is een gemene judas (Klv), Dat is een vale judas gemene, lelijke vent (Pdh), Dat is een vuile judas (Dwi), Dat is een minne judas, dat kèreldie is totaal gien vertrouw op (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
judas , joedas , (mannelijk) , joedasse , joedeske , judas, een gemeen iemand
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal