elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaarslicht

kaarslicht , kaerseleich , onzijdig , kaarslicht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kaarslicht , keerslicht , kaarslicht.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kaarslicht , keersenlöcht , het , (Zuidoost-Drents zandgebied) = kaarslicht Het keersenlöcht stund ’s nachts aaid op de taofel te branden (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaarslicht , keerzelocht , zelfstandig naamwoord , et; kaarslicht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaarslicht , [kaarslicht] , kaesleech , kaesleecht , (onzijdig) , kaarslicht
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal