elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kadee

kadee , kadé , (zelfstandig naamwoord) , Fîskadé. Viezerik, morsebel (in scherts).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kadee  , kadae , flinke jongen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kadee , kedaejd , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , keurig, florissant
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kadee , kadee , mannelijk , kadees , kadeeke , kadee, uitmuntend in grootte, goed, kwaad enzovoort Kadees van aerpel, ze waare niet door ’t kelderlaok te kriege: een ietwat overdreven voorstelling van de grootte der aardappelen. Dat is ’ne vieze kadee: dat is een vuilik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kadee , kedeej , jongen , Dé is potverdikke ne flinke kedeej geworre vur zun'ne lèèfté, dé kan nog iet worre. Dat is verdikkeme een flinke jongen geworden voor zijn leeftijd, dat kan nog wat worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kadee , kedee , zelfstandig naamwoord , kedees , kedeetjie , [Jidd, kedeisje] vrouw Ze is een onte kedee Ze is een vieze vrouw Zie ook mechol
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kadee , kedê , zelfstandig naamwoord mannelijk , kedês , - , persoon , (groot persoon) kedê VB: Ich zoûw geng rûizing mêt dè wêlle kriége, want dat ês mich 'nne kedê.; vrouw (een potige vrouw); kedê
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kadee , kadee , “da’s ‘n kadee”, “dat is een vrolijk iemand”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kadee , kadee , netjes
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
kadee , kadee , kedee, kedééj , zelfstandig naamwoord , flinke knaap, durfal (Helmond en Peelland; Eindhoven en Kempenland); kedee; manwijf (West-Brabant) kedééj; feest (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kadee , [groot exemplaar] , kedee , (mannelijk) , zeer groot exemplaar, ook persoon, zie ook kebanes , Dae jóng van dich is al eine hieële kedee gewoeare!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kadee , kedië , zelfstandig naamwoord , kediës , kediëke , kerel, rouw-douw, ruw persoon (Frans cadet, verouderde betekenis: edelman die in het leger diende om de krijgskunst te leren) ook roebelekanes zie ook batteraaf
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kadee , kadeej , zelfstandig naamwoord , "iemand van forse gestalte; uit de kluiten gewassen persoon; manwijf; Daamen - Handschrift 1916:  ""kadee - 't is ne flinke kadee ('n flink iemand)""; Hees - kedee (I:39); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kadee - rare kerel (zned.)= fr.'cadet' - jongste zoon; Ontleend aan fr. 'cadet'. Antw. CADEE zelfstandig naamwoord m. - iem. die in 't goede of 't kwade uitmunt; kerel, snaak; Verhoeven (1978):  KADEI (kedèèj) m. feest, smulpartij. Z.a. Bont KADEE - iemand die groot van stuk, flink uit de kluiten gewassen is; 1) b.v. een zwaar kind: 't Is enen dikke/zwore Kadei; ook van zaken gezegd: Die lesten biejkörf, da's zeu 'ne kadei! 2) in verzwakte opvatting: kerel, vent, snaak, sinjeur, een hele meneer; 3) drek v.e. mens: Pas op, door lee 'ne kadei!; WNT CADEE, ca(d)dei, ontl. aan fr. 'cadet' en dus eigenlijk hetzelfde woord als 'cadet'. Z.a. S&S KADEE: 1) iem. groot v. stuk, flink uit de kluiten gewassen; 2) in verzwakte opvatting: kerel, vent, snaak, sinjeur, een hele meneer (De Bont 275). Goem. CADEE (Wa.) - kadé; znw.m. mv. -s; Jongen, zoon, kind: ne - van 10 jaar; hij heeft al twee -s; Man, in de uitdrukking ''t is ne vieze -, ne flauwe -, enz. Jongen of man die zich in iets onderscheidt; Dat is ne - geworden! (die is knap of groot geworden). Z.a. Bet. ook 'pret' in de uitdrukking ''t zal gaan - zijn met de kermis'; ook het tegenovergestelde 'herrie' in de uitdrukking ''t was daar - ', ze vochten dat de pluimen eraf vlogen. WBD III.1.1:3 'kadee' = man; WBD III.4.4:222 'Kadee' =iets groots in zijn soort, ook 'joekel', knoeperd'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal