elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerf

kerf , kerf , (mannelijk, vrouwelijk) , kerf.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kerf , karf , karve , (mannelijk, vrouwelijk) , karve,karven , kerf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kerf , karven , voor: ringen om de horens der koeien. Omdat het aantal er van aanwijst, hoe vaak eene koe gekalfd heeft, zegt men van eene vrouw, wie het is aan te zien dat zij verscheidene kinderen het leven schonk: zij het al ’n bult karven om de horens. – karven = kerven, inkervingen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kerf , kerf , (zelfstandig naamwoord) , zie kerfstuk en middelkerf.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kerf , kerf , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – In pakhuizen en molens; bij het afleveren of in ontvangst nemen van goed. De krijtschrapjes aan de muur, waarmede wordt aangegeven hoeveel zak is opgedragen. Bij het zaadsjouwen is de laatste der drie dragers met het kerven belast; hij heet daarom kerfman. Bij iedere gang zet hij één schrapje, dat dus drie zak vertegenwoordigt. || Wie loopt er op de kerf (wie is de kerfman)? We tellen niet, maar we lopen op de kerf, dat is sekuurder. – In de latere Middeleeuwen was kerf in gebruik als term bij de verponding. De omslag had toen plaats door middel van de kerfstok; iedere daarop aangebrachte kerf vertegenwoordigde een bepaalde geldswaarde; zie verder Inform. 663 en vgl. prik I. In Westzaanden en Krommenie, alsmede te Wormer en Jisp, stond de kerf in 1514 gelijk met een schotpond of 400 Rijnse guldens, Inform. 67 en 64; te Assendelft was een kerf of schotpond 250 guldens, ald. 63.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kerf , karf* , vgl. spoan * (bldz. 565.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kerf , kurf , zelfstandig naamwoord de , 1. Kerf, kram, klamp. 2. Spant in een schuit. Zegswijze ’t is over kurf en klamp heen, het gaat alle perken te buiten. – Dat was an de kurf skopt, dat was tegen het zere been.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kerf , kėrf , mannelijk , kėrve , kėrfke , kerf, insnijding.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kerf , karf , kaarf, karve, karft, kerf , de , karven , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook kaarf (Zuidwest-Drenthe, noord, Noord-Drenthe), karve (Zuidwest-Drenthe, zuid), karft (bet. 2: Zuidoost-Drents zandgebied), kerf = 1. kerf Hie hef een kaarf in die stok maokt dan kan e zienend aaid weerkennen (Eex), Mit het vechten gisteraovend hef hij een goeie karve ien het gezicht op elopen (Ruw) 2. strook (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) IJ moet er even een karfien veur langs mèeien (Sle), Een lange akker in drei kaarven meien (Dwi), Wij hebt een karf deur de rogge meid zover mot het er eerst of (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerf , kerf , zelfstandig naamwoord , de; elk der kleinere stukken waarin een groot stuk land is opgedeeld (nabij Kuinre)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerf , karf , kaarf, kaarve, karve , zelfstandig naamwoord , de; 1. inkeping, insnijding 2. merkteken in de grond van het land, nl. tot de plaats waar een maaier moest maaien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerf , kérf , zelfstandig naamwoord mannelijk , kérve , kérfke , kerf , anus
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal