elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerkuil

kerkuil , [soort uil] , karkûle , (mannelijk) , karkûlen , katuil.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kerkuil , kirkuul , mannelijk , kirkuuje , kirkuulke , kerkuil, Tyto alba.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kerkuil , kerkoele , kerkuil.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kerkuil , kerkoel , de , kerkuil, Tyto alba IJ hebt kerkoelen en katoelen dat is hetzölfde (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerkuil , kärkoele , kerkuil
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kerkuil , karkoele , karkule , zelfstandig naamwoord , de; kerkuil
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerkuil , kärkoele , (zelfstandig naamwoord) , kerkuil.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kerkuil , kirkuul , (mannelijk) , kerkuil
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kerkuil , kêrkuul , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kêrkuûle , kêrkuulke , kerkuil
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal