elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kermis

kermis , keurmis , Kerkmis.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
kermis , kermis , het prettigste of schoonste feest.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kermis , kermisse , (vrouwelijk) , kermis.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kermis , karmse , (vrouwelijk) , kermis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kermis , kermis , (kerrəməs) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zegsw. Van een kouwe kerremis thuis kommen, met de kous op de kop thuis komen, in iets niet slagen, er slecht bij varen. Ook elders gebruikelijk. || Hy zal van een kouwe kermis komen, WOLFF en DEKEN, Will. Leevend 4, 240. -Zie nog een zegsw. op hemd en louw III, en vgl. de samenst. lichtjeskermis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kermis , kaimse , vrouwelijk , kermis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kermis , koarmse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kermis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kermis , kermis , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’t is alle dage gien kermis, het is niet alle dagen kermis, feest. – As ’t kermis is, mà je koek zien, loos bedankje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kermis , kirmës , vrouwelijk , kirmësse , kirmëske , kermis. Mit femieje is ’t gout kirmës haute en veur de meerẹs ouch niks: van je familie moet je het hebben.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kermis , kèrmes , zelfstandig naamwoord , kermis. Zegswijzen: 1. Aachterom is ’t kèrmes! Niet voor iemand langslopen. 2. ’t Is kèrmes in de hèl. Als de zon schijnt terwijl het regent. 3. As ge wir iets ötspòkt zal ’t kèrmes zèn. Als je weer iets uitspookt zul je stevig op je kop krijgen. Men zegt niet Diessense, Mierdse of Gèèstelse kèrmes, maar Diessen-, Mierd-, Gèèstel-kèrmes. Meej Tilbörg-kèrmes reejgent ’t altèd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kermis , kärmse , kermis.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kermis , kermse , kermis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kermis , kermis , karmis, kaarmis, karmse, kaarmse , de , kermissen , Ook karmis (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), kaarmis (Zuidwest-Drenthe, noord), karmse, kaarmse (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = kermis Wai willen nog even de kermis over (Row), Hij is van een kolde kermis komen (Mep), ...weerkommen (Pdh), ...in hoes kommen (Ros), Daor is ’t ook weer kermis trammelant (Vle), Het liekt hier wel kermis wat een herrie (And), Het is niet alle daegen kermis we kunnen niet elke dag maar feestvieren (Smi) *As het règent en de zunne schient / Is het karmis in de hel (Hol); Ik wol dat het altied kermis was en zundag in de weke (Erf); Achterum is het karmis tegen iemand die achter je staat en voor wie je niet op zij wilt gaan (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kermis , kärmse , kärmesse , kermis
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kermis , kârmse , kermis.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kermis , kèrmus , kermis , T’is nie alle daog kèrmus. Het is niet alle dagen kermis. Het is niet alle dagen feest.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kermis , kermis , karmis , zelfstandig naamwoord , de; 1. kermis, nl. bep. volksfeest of als vermaak bij een jaarmarkt 2. druk rumoer, feestelijk gedoe, ook: geruzie, gekrakeel; Aachteromme is kermis kom het huis maar binnen aan de achterkant, daar zijn nl. de mensen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kermis , kerremes , zelfstandig naamwoord , kerremesse , kerremessie , kermis Op de kerremes stonge een mallemeule en een broedertiestent Op de kermis stonden een draaimolen en een poffertjeskraam; ’t Is niet altijd kerremes al staon d’r kraeme Het is niet altijd feest
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kermis , kërmes , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kërmese , - , kermis , VB: Oppe kërmes ién Riékelt wäor 't altiéd volle bak.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kermis , kerremis , kermis
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kermis , kaaremus , p kermis
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kermis , kärmse , (zelfstandig naamwoord) , kermis.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kermis , kaarmes , kaarmis, kaarmse, karmse , 1. kermis; 2. feest, pret in het algemeen; ka(a)rmesklokje, goedkoop horloge, al dan niet gewonnen op de kermis; kaarmiskoek, ontbijtkoek.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kermis , kirmes , (vrouwelijk) , kirmese , kirmeske , kermis , Achteróm is kirmes: kom maar via de achterdeur naar binnen. Dao is ’t kirmes: daar is ruzie. De groeate en de klein kirmes in Thoear. De groeate kirmes is zóndig nao de negendje oktoeaber en de klein kirmes is aafgesjaftj. Hae luiptj alle kirmese aaf. Kirmes haoje. ’t Raengeltj en de zón sjientj, ’t is kirmes inne hèl.: daar is ruzie. De groeate en de klein kirmes in Thoear. De groeate kirmes is zóndig nao de negendje oktoeaber en de klein kirmes is aafgesjaftj. Hae luiptj alle kirmese aaf. Kirmes haoje. ’t Raengeltj en de zón sjientj, ’t is kirmes inne hèl.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kermis , kirmes , zelfstandig naamwoord , kirmese , kirmeske , kermis; achteróm is kirmes – als je achterom naar binnen gaat, word je hartelijk ontvangen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kermis , keîmes , zelfstandig naamwoord, mannelijk , keîmese , dandy, grapjas
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kermis , kêrmes , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kêrmese , kermis
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kermis , kerremis , van een kouwe kerremis thuiskomme, deze uitdrukking komt waarschijnlijk uit Dordrecht. De kouwe kerremis was de Bamismart, die tien dagen na Sint-Bavo (1 oktober) begon en veertien dagen duurde
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kermis , kèrmes , zelfstandig naamwoord , kermis; D. Boutkan (1996): (blz. 97) toen kwaamde gullie èlk jaor nor de kèrremes; MPR Aachteróm ist kèr(e)mes - Laat bewoners niet onnodig naar de voordeur komen; ga gerust achterom. Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kermisgaast' - kermisgast, kermisbezoeker; Cees Robben – Al vur de Kermis aon’t zörge De Leuw..? [Over een vishandelaar die voor de Kermis haringen op potjes zet] (19640724); Dialectenquête 1876 - kerremiskroam; DANB toen kwaamde göllie hier èlk jaor nòr de kèrmis; Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  tis aaltij gin kèrmes, zi de begijn èn ze sneej den appel in viere (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72); Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  meej Hasseltse kèrmes òf èèrpel òf lôof ('49); de eerste zondag na 2 juli zijn de aardappels rijp om gerooid te worden. H. van Rijen (1988): 'kèrremes'; Stadsnieuws:  'Tilbörgse kèrmes is de grotste van et laand' (160708); Bont k?rm?s, zelfstandig naamwoord vr. - kermis; Antw. KERMIS (uitspr.: kärr?miis; te Antw.: karr?miis), zelfstandig naamwoord v. en hier en daar Fr. kermesse. Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kèrmes zn - kermis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal