elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kersentijd

kersentijd , keesjentiet , mannelijk , kersentijd; korte periode. Dat is dan mer ’nen keesjetiet gewaes: dat is maar van korte duur geweest.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kersentijd , kossetied , zelfstandig naamwoord , de; kersentijd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kersentijd , [kersentijd] , kesetied , (vrouwelijk) , kersentijd , Det doortj mer eine kesetied.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kersentijd , kesentd , kesentied , kersentijd; det doertj mer eine kesentd – dat duurt maar kort
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal