elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerven

kerven , keurven , Kerven.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
kerven , kerven , (sterk werkwoord) , kòrf, ’ekòrven en ’ekurven , Zie de wdbb. || Ik heb de visch ’ekurven. – Zie kerf I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kerven , kaiven , kerven
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kerven , kerve , kurve , werkwoord , Kerven. De vervoeging luidt: kerve – kerfde/kurf – kerfd/kurven.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kerven , kėrve , kėrfde, haet of is gekėrf , kerven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kerven , karven , kaarven , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kaarven (Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = 1. kerven Hij het letters in de boom kaarfd (Erf), Hij zit in de taofel te karven (Coe), Bot muj eerst karven veur aj ze bakken er sneetjes in maken (Mep) 2. slecht maaien, zodanig dat er een strook blijft staan (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, hy) Die karft er ok wat an of mèeien kan e niet (Sle), De meiers hebt er mor flink an het karven ewest (Hgv), zie ook kammen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerven , kärven , werkwoord , kerven
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kerven , kârvm , kerven.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kerven , karven , kaarven , werkwoord , 1. kerven, nl. inkervingen, insnijdingen maken 2. slecht maaien met een zeis, bijv. doordat deze niet scherp genoeg is 3. knagen door knaagdieren in hout en ander materiaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerven , kärven , (werkwoord) , kärven, ekärfd , kerven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kerven , kierve , werkwoord, persoonsvorm , verleden tijd meervoud van kèrve, kerven; alleen aangetroffen bij Heerkens; 't Wier herfst, 't wier wenter, 't weer wier guur; en rauwe wende kierve; mijn teere zieltjen uur nao uur;  en al de blumkes stierve... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘Toen en na...’, 1949)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal