elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keuren

keuren , keuren , proeven, toetsen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
keuren , keuren , (zwak werkwoord) , vgl. verkeurdheid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
keuren , kuurn , werkwoord, zwak , keuren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
keuren , keure , werkwoord , in de zegswijze te keuren moete, gekeurd moeten worden (bv. voor militaire dienst).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
keuren , kaore , keure , kaorde, haet gekaort/keurde, haet of is gekeurt , keuren, proeven.; keure keuren
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
keuren , käöre , käörde, haet of is gekäört , strelen, aaien. Es ’t käört, dan knip ’t, en ės ’t peunt, dan bit ’t: lett.: als ze aait, dan knijpt ze en als ze zoent, dan bijt ze (kwaadaardig meisje).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
keuren , keuren , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. keuren Vanaovend kan ik niet bij je kommen ik moe toenen keuren (Eex), Aj wat koopt moej het eerst even keuren (Nor), Wij hebt zwarte bezen op draank ezet ie mut ies komen keuren proeven (Hgv), Hie möt hen keuren veur dienst gekeurd worden voor militaire dienst (Man) 2. kiezen (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drenthe) Ai moeten de mooiste der mor oetkeuren (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
keuren , keuren , werkwoord , keuren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
keuren , keurn , keuren (werkw.).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
keuren , keuren , werkwoord , 1. onderzoeken of iets aan de gestelde eisen voldoet 2. door te proeven nagaan of iets goed smaakt 3. een beoordeling geven of doen geven naar fraaiheid, niveau
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
keuren , këure , werkwoord , këurde, gekëurd , keuren , VB: Vuur en nao de sjlach wörde de vérekes gekëurd.; liefkozen këure (zie 'aaien'); strelen këure (zie 'aaien')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
keuren , [aaien] , keure , keurtj, keurdje, gekeurdj , aaien , De kat keure.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
keuren , käöre , käörtj, käördje, gekäördj , 1. keuren, op waarde schatten 2. proeven
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
keuren , käöre , werkwoord , käörtj, käördje, gekäördj , keuren
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
keuren , keure , kuuëre , werkwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keuren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal