elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiem

kiem , [gevoelig, stipt] , kiem , (bijwoord) , "gevoelig, teer, stipt, naauwgezet; bijv. kiem van aard zijn."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kiem , kim , kine , (vrouwelijk) , kiem.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kiem , kîm , (mannelijk) , kiem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kiem , kîn , (onzijdig) , kiem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kiem , kiem , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Kaam, schimmel, op azijn, wijn, bier, enz. || Er drijft kiem op de wijn, de stop heb er zeker niet goed op’ezeten. – Evenzo elders in N.-Holl. Vgl. ook KIL.: “kiem, Holl. Fris., mucere; kiemigh, j. kaemigh, mucidus”, en HADR. JUNIUS, Nomencl. 73a: “Vinum mucidum, B. kaenachtige, kiemachtighe, oft vaetsche ende na t’vat smakende wijn.” In het Fri. luidt het woord kiemme. – Zie verder op kienen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiem , kien , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kienn , kientjen , kiem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kiem , keim , vrouwelijk , keime , keimke , kiem.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kiem , kiem , vrouwelijk , kieme , dikke boterham, zie ook: sjmouer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kiem , kiem , zuinig, kieskeurig. 1. Hij is hêêl kiem op z’n nuuwe fiets. 2. Vur Sjèfkes kunde beejter nie kooke. Die is zò kiem, hij lust bekant niks.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kiem , kiene , kiem.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kiem , kiem , kieme , de , kiemen , Ook kieme (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = kiem Der zit aordig kiemen an die erpel uitlopers (Sle), Aj de eerpels op kiem zet staot ze der veul gauwer boven (Hijk), Het koren lig in de kiem (Klv), (fig.) Zuks muj drekt in de kiem smoren (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiem , kieme , kiem
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kiem , kientien , kiem op boon of aardappel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kiem , kiem , kieme , zelfstandig naamwoord , de; 1. kiem in het zaad van planten, ook inzake een ei 2. kiem van een aardappel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiem , kien , (zelfstandig naamwoord) , kiem, uitloper. Zie ook: uutloper, uutloopsel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kiem , kien , kiem, uitloper, spruit (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kiem , kiem , bijvoeglijk naamwoord , kieskeurig, secuur (West-Brabant; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kiem , kiem , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , "preuts; Cees Robben – Hij is zôô kiem assie grôôt is... (19690110); • kleinzerig; Elie van Schilt - Kwaamde jankend thúís, dan was ut al gauw ‘Verekte kwèèkert, ge moet nie zò kiem zèèn,schaai úít mee oe gejank’. (Uit: ‘Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000); • kieskeurig; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kiem - kieskeurig, inhalig (Belg-Limb., Brab.); Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kiem - zuinig, kieskeurig; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEM voor kiesch, meest van spijs of drank; reeds bij Kiliaan. Z.a; Verhoeven (1978): KIEM - bijvoeglijk naamwoord ., kieskeurig (iemand die pitst en pieliet) Z.a. Bont bijvoeglijk naamwoord  'kiem' - 1) zorgzaam en spaarzaam met iets omgaand; 2) keurig (op spijs en drank en kleren); Antw. KIEM bvw. - kieschkeurig op eten en drinken, vies op spijs en drank, weinig van eten zijnde; rustig, tam. • andere betekenissen; WBD III.3.1:197 'kiem', 'spaarzaam, benauwd' = spaarzaam; WBD III.1.1:254 'kiem' = gevoelig zijnde; Haor KIEM - secuur; Hees kiem (II:43); uitroep; Van Dale - kien - bij het lottospel: roep 'kien!' = ik heb de vijf nummers op 'n rij; Daamen - Handschrift 1916:  ""kiem - roepen de kinderen als ze bij het kienspel (lotto) een rijtje van vijf vol hebben""; WBD III.3.2:199 'kiem' uitroep bij bepaald spel, ook kien"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal