elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kijkuit

Kijkuit , Kijkuit , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Naam van een stuk land te Jisp. || De Kijkuit.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kijkuit , kiekoet , mannelijk , kiekoete , ├ętalage, uitstalkast, zie ook: kas.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kijkuit , kijkuit , kijk uit voor de kijkuit! pas maar op!; je mag wel uitkijken! (een kijkuit was de benaming van een persoon, die ergens toezicht hield)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal