elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kinderspel

kinderspel , kinderspul , (kinderspel); zooals kinderen doen, kinderwerk, en spottend als bv. twee personen trouwen die nauwelijks de kinderschoenen zijn ontwassen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kinderspel , kénjersjpeel , onzijdig , kénjersjpeele , kénjersjpeelke , kinderspel; gemakkelijk klusje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kinderspel , kinderspel , het , kinderspel Hoepeln as kienderspel is uut de tied (Pes), Honkbal is een kinderspel dat veul bij schoel speuld wuur (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kinderspel , kinderspul , in: ’t Is gien kinderspul, wanneer een òld wief danst ‘uitkijken geblazen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kinderspel , kienderspul , kienderspel , zelfstandig naamwoord , et 1. het spelend bezig zijn van kinderen 2. spel door kinderen gespeeld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal